Over De Ketsheuvel

Van oudsher behoorde Kaatsheuvel tot de heerlijkheid Venloon, zoals Loon op Zand vroeger heette. Thans behoort het met de kerkdorpen Loon op Zand en De Moer tot de gemeente Loon op Zand. Loon op Zand lag op een kruispunt van handelswegen en bezat in 1233 reeds een kerk en een soort kasteeltje. Daar rondom ontstonden allerlei gehuchten zoals de Roestelberg, de Klokkenberg, het Hoekske, de Efteling, het Kraanven, de Bernsehoef en ook de Ketsheuvel.

Een belangrijk jaartal was 1269 toen beleende de hertog van Brabant het dorp Venloon met zijn heiden, moeren en woeste gronden aan Willem van Horne. Met name het element moer was van groot economisch belang voor de inwoners, maar vooral voor de heren van Loon en andere eigenaren van de moergronden. Het was de ondernemende Pauwels van Haestrecht, sinds 1383 heer van Venloon, die zijn stempel drukte op de uitbating van de moeren en de turfwinning. In 1396 kreeg hij toestemming van de hertogin van Brabant voor de aanleg van een vaart naar ’s-Hertogenbosch om zo zijn heerlijkheid te verbinden met de Dieze bij ’s-Hertogenbosch. Door Kaatsheuvel, Drunen, Nieuwkuijk en Vlijmen liet hij een vaart graven met een lengte van 3 mijl ofwel 4 uur gaans en een breedte van 1 roede, die bij Engelen uitmondde in de Dieze.

Het vervoer van de turf vond veelal plaats door middel van zogenaamde turfpleiten, een soort platbodems. De vaart naar ’s-Hertogenbosch was de belangrijkste, maar niet de enige waterweg in Kaatsheuvel. Als er een nieuw moer in exploitatie werd genomen, moest er worden gezorgd voor een verbinding met de turfvaart. Rond 1600 kwam er als gevolg van de 80-jarige oorlog en het slinken van de voorraden een einde aan de turfindustrie. De turfvaart verzandde. De turfstekers hadden naast hun werkzaamheden vaak ook een klein boerderijtje om in de eerste levensbehoeften te voorzien. Het waren zogenaamde keuterboertjes, met een koe of een varken en wat land.


Opmerkelijk voor Kaatsheuvel was dat het zich in de grensstreek van Holland en Staats-Brabant bevond. Dit bracht rond 1720 een vrij omvangrijke bende heidenen naar dit gebied, dat deels bestond uit moerassen, venen, bossen en zandduinen. De bende noemde zich “de Witte Veer” en had hier een betrekkelijk veilig toevluchtsoord. Vanuit hun kampement gelegen in het zogenaamde Ravensbosch, nabij de Zandschel, ondernam de bende geregeld rooftochten tot ver in de republiek Holland. Men profiteerde van de bestuursperikelen tussen Staat-Brabant en Holland. Had men in Holland een actie gepland dan werkte men in Brabant niet mee en andersom was dat ook het geval. De drossaard van Loon op Zand, Otto Juijn, was echter een volhouder en in 1725 lukte het hem de leider van de bende genaamd Zwarte Johannes gevangen te nemen.

In 1731 ging men in Kaatsheuvel het eerst ter kerke (daarvoor moesten de inwoners van Kaatsheuvel naar de kerk in Loon op Zand of in Sprang). Dit was in een kamer van een boerderij die behoorde aan de heer van Loon op Zand. In 1736 kwam daar een schuurkerk voor in de plaats en 100 jaar later de eerste stenen kerk een zogenaamde Waterstaatskerk. In 1897 werd in het westelijk deel van Kaatsheuvel een tweede katholieke kerk in gebruik genomen, toegewijd aan de H.H. Martelaren van Gorcum. De Waterstaatskerk maakte in de jaren 1912/1913 plaats voor de St. Janskerk in de Hoofdstraat van Kaatsheuvel. Tot slot werd in 1936 ook het oostelijk deel van Kaatsheuvel van een kerk voorzien, namelijk de St. Jozefkerk.

In 1804 verrees er ook nog een Nederlands Hervormd kerkje aan de Zuidhollandsedijk.
Kaatsheuvel werd groter. In de beginfase van de kerken was er al een strijd om een eigen pastoor. Rond 1840 kwamen daar de geluiden over een eigen raadhuis bij, omdat men te ver van het Loonse raadhuis verwijderd was. Daar kwam de wens van afsplitsing nog eens bij. De gemeenteraad ging akkoord met afbraak van het Loonse raadhuis en verplaatsing naar Kaatsheuvel. Het liep geheel uit de hand. In 1853 gingen de Kaatsheuvelnaren gewapend met rieken, dorsvlegels, knuppels en schoenleesten naar Loon om aldaar de archieven en meubels van het oude raadhuis naar Kaatsheuvel over te brengen. Er moest een regiment infanterie aan te pas komen om de zaak in de hand te houden. De Kaatsheuvelnaren namen de zaken mee en sindsdien staat het gemeentehuis van de gemeente Loon op Zand voortaan in Kaatsheuvel.

Lange tijd was de schoenindustrie in Kaatsheuvel het voornaamste middel van bestaan. Van oudsher kent Kaatsheuvel veel ambulante beroepen, zoals scharenslijpers, mattenvlechters, zwavelstokmakers en stoelenmatters. Ook leerlooien en de daaraan gekoppelde schoenindustrie waren in Kaatsheuvel van belang. De vestigingsomstandigheden waren erg gunstig voor het leerlooien. Het eikenschors, basis voor het looiproces, en stromende beekjes waren veelvuldig aanwezig. Het eikenschors werd gemalen op de plaatselijke molens, die naast de koppels stenen voor het malen van graan ook een koppel stenen voor het malen van eikenschors bezat.

Vroeger kende elk huis in Kaatsheuvel wel zijn eigen schoenfabriekje. In 1890 kende Kaatsheuvel 134 ondernemingen in de schoenindustrie. Een zwarte bladzijde in deze lokale industrie vormde de zogenaamde gedwongen winkelnering. De werkgever had naast zijn fabriek vaak nog een winkel. De werknemer was verplicht zijn verdiende loon in deze winkel te spenderen. De vakbeweging bracht daar verandering in.
Door de komst van de lage loonlanden verdween de schoenindustrie grotendeels en maakte plaats voor andere takken van industrie. Toch bleef de handel in schoenen in deze regio doorgaan. Als laatste voornaamste overblijfsel aan de schoenindustrie kan de Efteling genoemd worden. In 1949 werd in Kaatsheuvel namelijk de tentoonstelling “De Schoen” georganiseerd, waarna een park overbleef. Samen met een eerder opgezette speeltuin en sportpark vormde het in 1952 de basis voor de oprichting van de Efteling als sprookjespark. Thans is het uitgegroeid tot een wereldbekend pretpark.